Dieetbehandelingsrichtlijn - Cystic Fibrosis

57 belangrijke vragen over Dieetbehandelingsrichtlijn - Cystic Fibrosis

Wat zijn de meest gebruikte methoden om de voedingstoestand van CF-patiënten te bepalen? (p. 2)

De voedingstoestand van CF-patiënten wordt bepaald door middel van nutritionele beoordeling, waarbij volgende aspecten worden geëvalueerd: energieverbruik, verliezen, lichaamssamenstelling, nutriëntenreserves en eventueel functionele parameters.
Voor kinderen worden groeiparameters zoals gewicht-voor-leeftijd, lengte-voor-leeftijd, gewicht-voor-lengte en BMI-voor-leeftijd gebruikt.
Bij volwassenen worden BMI en lichaamssamenstelling beoordeeld, vaak door middel van bio-elektrische impedantieanalyse en/of DEXA-scan.

Wat is de eiwitbehoefte van CF-patiënten? (p. 2)

  • Kinderen in de stabiele fase: 20 En% maar kan oplopen tot 5 g/kg/dag
  • Volwassenen in de stabiele fase: 1,1 gram per kilogram vetvrije massa per dag, maar kan oplopen tot 1,9 gram/kg/dag.

Wat zijn de belangrijkste micronutriëntentekorten bij CF? Waarom? (p. 3)

  • Vetoplosbare vitamines A, D, E en K door verstoord vetmetabolisme.
  • Natrium: door verhoogde natriumuitscheiding.
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Sailabus

Wat zijn de dieetkenmerken voor CF-patiënten? (p. 4)


  • Energierijk: 110% tot 200% ten opzichte van een gezonde populatie.
  • Eiwitverrijkt met minstens 1,1 g/kg vetvrije massa (VVM); tijdens periodes van infectie, bij verlaagd gewicht en bij verlaagde vetvrije-massa-index (VVMI) 1,5 gram/kg lichaamsgewicht of 1,9 g/kg VVM;
  • Suppletie van in vet oplosbare vitamines
  • Natriumverrijkt
  • Rijk aan voedingsvezels met als ondergrens 14,2 g/1000 kcal.
  • Minstens 1,5 tot 2 liter drinkvocht per dag voor volwassenen en kinderen vanaf 10 kg; 150 ml/kg voor kinderen tot 10 kg.

Leg uit hoe taai slijm bij cystic fibrosis leidt tot een vicieuze cirkel van longschade en beschrijf de gevolgen voor de longfunctie. (p. 7)

Bij cystic fibrosis zorgt een defect in het CFTR-gen voor de productie van taai en dik slijm in de luchtwegen. Dit slijm wordt onvoldoende afgevoerd en blijft achter in de longen. Hierdoor ontstaat een gunstige omgeving voor bacteriën, wat leidt tot infecties. Deze infecties veroorzaken ontstekingen, die de luchtwegen beschadigen. Door deze beschadiging wordt het nog moeilijker om slijm op te hoesten, waardoor opnieuw slijmophoping ontstaat. Dit proces vormt een vicieuze cirkel van slijm → infectie → ontsteking → meer slijm. Uiteindelijk leidt dit tot progressieve schade aan het longweefsel en een verminderde gasuitwisseling, waardoor de longfunctie (FEV1) geleidelijk afneemt.

Wat zijn exacerbaties bij CF, welke symptomen treden hierbij op en wat zijn de gevolgen voor de gezondheid van de patiënt? (p. 7)

Exacerbaties zijn periodes van acute verslechtering van respiratoire symptomen bij CF. Tijdens een exacerbatie nemen klachten toe zoals hoesten, sputumproductie, verandering in kleur van het slijm, piepende ademhaling, kortademigheid en vermoeidheid. Deze episodes worden meestal behandeld met antibiotica en/of corticosteroïden. Exacerbaties gaan vaak gepaard met een verhoogde energiebehoefte en een verminderde eetlust. Ze kunnen leiden tot een blijvende achteruitgang van de longfunctie, een lagere kwaliteit van leven en een verminderde overleving, hoewel dit niet in alle gevallen optreedt.

Beschrijf de rol van bacteriële infecties bij respiratoire problemen van CF-patiënten en noem belangrijke pathogenen en hun impact.

CF-patiënten hebben een verhoogd risico op chronische luchtweginfecties doordat taai slijm in de longen blijft zitten. Belangrijke pathogenen zijn onder andere *Pseudomonas aeruginosa* en bacteriën uit het *Burkholderia cepacia*-complex. Deze bacteriën kunnen zich hechten aan het epitheel en vormen een beschermende slijmlaag (biofilm), waardoor ze moeilijk te behandelen zijn met antibiotica. Chronische infecties verergeren de symptomen, versnellen de achteruitgang van de longfunctie en verhogen het risico op vroegtijdig overlijden. Daarnaast kunnen deze infecties bijdragen aan de ontwikkeling van eindstadium longziekte.

Wat is meconiumileus bij pasgeborenen met CF en wat is de oorzaak en behandeling?(p. 8)

Meconiumileus is een darmobstructie bij pasgeborenen met CF, waarbij ingedikt meconium vast blijft zitten in het distale ileum. Dit ontstaat door taai slijm en een tekort aan pancreasenzymen. Het leidt tot een opgezette buik, fecaal braken en mogelijk shock. De behandeling is medicamenteus of operatief.

Waarom komt obstipatie vaak voor bij CF-patiënten en hoe hangt dit samen met DIOS  (distaal intestinaal obstructiesyndroom)?(p. 8)

Door taai darmslijm verloopt de passage van ontlasting trager, wat obstipatie veroorzaakt. Dit kan overgaan in DIOS (distaal intestinaal obstructiesyndroom), waarbij ingedroogde feces zich ophopen in het caecum en obstructie veroorzaken.

Wat is DIOS en hoe wordt het behandeld bij CF-patiënten?(p. 8)

DIOS (distaal intestinaal obstructiesyndroom) is een obstructie van de darm door ophoping van uitgedroogde feces in het caecum. Het veroorzaakt ernstige buikpijn en komt vaker voor bij volwassenen. De behandeling is meestal niet-operatief, bijvoorbeeld met laxantia.

Wat is pancreasinsufficiëntie (PI) bij CF en wat is de onderliggende pathofysiologie?(p. 8–9)

PI ontstaat door verstopping van de pancreasafvoergangen door taai slijm, waardoor enzymen het duodenum niet bereiken. Dit leidt tot een verstoorde vetvertering en vetabsorptie. Ongeveer 85% van de CF-patiënten heeft PI vanaf de geboorte.

Welke gevolgen heeft pancreasinsufficiëntie voor de voedingstoestand van CF-patiënten?(p. 9)

PI veroorzaakt malabsorptie van vetten en vetoplosbare vitamines (A, D, E, K), wat kan leiden tot steatorroe, ondervoeding, negatieve energiebalans en vitaminetekorten, met onder andere gevolgen voor de botgezondheid.

Wat is PERT en hoe wordt het toegepast bij CF-patiënten met PI (Pancreasinsufficiëntie)?(p. 9)

PERT is pancreasenzym-vervangende therapie waarbij enzympreparaten tijdens maaltijden worden ingenomen om de vertering te ondersteunen. Capsules worden doorgeslikt of granulaat wordt bij jonge kinderen met lichtzure voeding gegeven.

Waarom wordt soms een protonpompremmer (PPI) toegevoegd aan de behandeling bij CF met PI?(p. 9)

Een PPI voorkomt voortijdige afbraak van enzymen in de maag, waardoor ze effectiever werken in de dunne darm en de vetabsorptie mogelijk verbetert.

Wat is rectumprolaps bij CF en hoe vaak komt het voor?(p. 9)

Rectumprolaps is een uitzakking van de endeldarm en komt bij ongeveer 23% van de CF-patiënten voor, vooral op jonge leeftijd. Behandeling is meestal conservatief, maar soms chirurgisch.

Wat is gastro-oesofageale refluxziekte (GERD) bij CF en wat zijn de mogelijke gevolgen?(p. 9)

GERD is reflux van maaginhoud naar de slokdarm en komt zeer vaak voor bij CF. Het wordt geassocieerd met slechtere longfunctie en meer exacerbaties en kan op lange termijn leiden tot Barrett-slokdarm en slokdarmkanker.

Wat zijn de oorzaken en gevolgen van botgezondheidsproblemen bij cystic fibrosis (CF)? (p. 10-11)

Botproblemen bij CF ontstaan door een combinatie van factoren: verminderde CFTR-functie (minder botopbouw), malabsorptie van vitamine D en K door pancreasinsufficiëntie, ondervoeding en weinig lichamelijke activiteit. Ook kan gebruik van corticosteroïden botverlies versterken.
Dit leidt tot een lagere botdichtheid (osteopenie/osteoporose) en een verhoogd risico op botbreuken.

Hoe wordt de groei en voedingstoestand van kinderen en volwassenen met cystic fibrosis (CF) beoordeeld en wat zijn de streefwaarden?(p. 11)

Bij kinderen wordt de groei beoordeeld met parameters zoals gewicht-voor-leeftijd, lengte-voor-leeftijd en BMI-voor-leeftijd (z-scores), waarbij waarden tussen -2 en +2 als normaal gelden. Tegenwoordig hebben de meeste kinderen met CF een normale groei en BMI.

Bij volwassenen wordt de voedingstoestand beoordeeld met BMI en lichaamssamenstelling. De streefwaarde voor BMI is ≥23 kg/m² voor mannen en ≥22 kg/m² voor vrouwen.

Wat is het verloop van de puberteit bij CF-patiënten en welke factoren beïnvloeden dit? (p. 12)

Vroeger werd bij CF-patiënten vaak een vertraagde puberteit gezien, maar recent onderzoek laat zien dat de puberteit meestal op normale leeftijd begint. Alleen ernstig zieke patiënten hebben nog vaker een vertraagde puberteit. Factoren zoals ziekte-ernst en voedingstoestand spelen hierbij een rol. Met de komst van CFTR-modulatoren wordt verwacht dat puberteitsvertraging minder vaak voorkomt.

Hoe is de behandeling van cystic fibrosis veranderd door de introductie van CFTR-modulatoren?(p. 12–13)

Vroeger was de behandeling vooral gericht op symptoombestrijding (infecties, ontsteking, voeding). Met CFTR-modulatoren wordt de onderliggende oorzaak deels aangepakt door verbetering van het CFTR-eiwit. Dit leidt tot betere longfunctie, groei en levensverwachting. De behandeling blijft multidisciplinair.

Wat is het werkingsmechanisme en de beperking van CFTR-modulatoren bij CF?(p. 13)

CFTR-modulatoren verbeteren de functie van het CFTR-eiwit: potentiatoren verhogen de kanaalactiviteit en correctoren verbeteren het transport naar het celoppervlak. Ze verbeteren klinische uitkomsten, maar werken niet bij alle mutaties en 10–15% reageert niet. Bijwerkingen kunnen optreden.

Welke rol speelt aanvullende medicatie bij CF naast CFTR-modulatoren?(p. 13–14)

Aanvullende medicatie richt zich op symptomen en complicaties: antibiotica bij infecties, corticosteroïden bij ontsteking, insuline bij CFRD, PERT bij pancreasinsufficiëntie en laxantia bij obstipatie. Deze ondersteunen de algehele gezondheidstoestand.

Hoe wordt de exocriene pancreasfunctie beoordeeld met fecal elastase-1 en wat betekenen de uitslagen?(p. 17)

FE1 (Fecal elastase 1) in ontlasting wordt gebruikt:
  • >200 µg/g is normaal,
  • <100 µg/g wijst op ernstige pancreasinsufficiëntie, en
  • 100–200 µg/g is onduidelijk en vereist verder onderzoek.   

Wat is het doel van een 72-uurs vetbalans en wanneer wordt deze toegepast bij CF?(p. 17)

De 72-uurs vetbalans meet de vetabsorptie door inname en uitscheiding te vergelijken. Het wordt vooral bij kinderen gebruikt om de dosering van pancreasenzymen te evalueren.

Waarom is een voedingsanamnese essentieel bij CF en welke informatie levert deze op?(p. 15–17)

Een voedingsanamnese geeft inzicht in kwantiteit en kwaliteit van de voedselinname, eetpatroon en enzymgebruik. Dit helpt bij het opsporen van tekorten en optimaliseren van de behandeling.

Waarom is kennis van de dieetgeschiedenis belangrijk bij CF-patiënten, vooral bij de overgang naar volwassenenzorg?(p. 15)

Omdat CF vaak al op jonge leeftijd wordt behandeld, hebben patiënten meestal eerdere dieetadviezen gekregen. Bij overgang naar volwassenenzorg is het belangrijk om inzicht te krijgen in deze adviezen en de therapietrouw om passende begeleiding te bieden.

Welke aspecten worden beoordeeld binnen een nutritional assessment bij CF en wat is het doel hiervan?(p. 15–16)

Nutritional assessment omvat voedselinname, energieverbruik/verliezen, lichaamssamenstelling en functionele parameters. Het doel is het beoordelen van de voedingstoestand en het ondersteunen van de diëtistische diagnose en behandeling.

Waarom is groei een belangrijke indicator bij kinderen met CF en wat zijn de gevolgen van afwijkende groei?(p. 16)

Groei weerspiegelt de voedingstoestand en longfunctie. Afwijkingen zoals lage lengte- of gewichtsscores zijn geassocieerd met slechtere longfunctie en verhoogd risico op mortaliteit.

Hoe wordt de voedingstoestand bij volwassenen met CF beoordeeld en wat is een beperking van BMI?(p. 16)

Bij volwassenen wordt gekeken naar BMI en lichaamssamenstelling. BMI alleen geeft geen inzicht in vetvrije massa, waardoor aanvullende metingen zoals BIA nodig zijn.

Waarom is het bepalen van vetabsorptie belangrijk bij CF en welke problemen kunnen optreden bij verminderde vetabsorptie?(p. 16–17)

Vetabsorptie is belangrijk om pancreasfunctie te beoordelen. Verminderde absorptie kan leiden tot gewichtsverlies, steatorroe, ondervoeding en vitaminetekorten.

Waarom vereist de bepaling van de energiebehoefte bij CF een individuele benadering en welke factoren spelen hierbij een rol?(p. 17–18)

De energiebehoefte varieert sterk door verschillen in ziekte-ernst, longfunctie, infecties, ademarbeid en malabsorptie, waardoor standaardberekeningen onvoldoende zijn en individuele beoordeling noodzakelijk is.

Leg uit hoe de voedingstoestand bij CF tot stand komt en welke factoren deze beïnvloeden.(p. 17–21)

De voedingstoestand wordt bepaald door de balans tussen energie-inname, energieverbruik en verliezen. Factoren zoals ziekte-activiteit, absorptie, eetlust en energiebehoefte beïnvloeden deze balans.

Waarom is de energiebehoefte verhoogd bij CF en wat betekent dit voor de dieetbehandeling?(p. 18)

Door verhoogde ademarbeid, chronische ontsteking en infecties is het energieverbruik hoger, waardoor een verhoogde energie-inname (110–200%) nodig is, afgestemd op de individuele situatie.

Waarom wordt een vetrijke voeding aanbevolen bij CF en hoe verhoudt dit zich tot malabsorptie?(p. 18–19)

Vet levert veel energie per gram en helpt de verhoogde energiebehoefte te dekken. Ondanks vetmalabsorptie blijft een vetrijke voeding noodzakelijk om voldoende energie-inname te bereiken.

Waarom is een verhoogde eiwitinname essentieel bij CF en welke functies ondersteunt dit?(p. 19)

Eiwitten ondersteunen groei, herstel en behoud van spiermassa, wat belangrijk is bij verhoogde energiebehoefte en ziektebelasting.

Hoe moet de koolhydraatinname worden aangepast bij CF-patiënten met CFRD en waarom?(p. 19)

De koolhydraatinname moet worden afgestemd op glucoseregulatie en insulinegebruik om schommelingen in de bloedsuikerspiegel te voorkomen.

Waarom is zoutsuppletie noodzakelijk bij CF en onder welke omstandigheden neemt deze behoefte toe?(p. 19–20)

Door verhoogd zoutverlies via zweet is extra natrium nodig, vooral bij warmte, inspanning of koorts.

Leg uit waarom vetoplosbare vitamines extra aandacht vereisen bij CF en wat de consequenties zijn van tekorten.(p. 20)

Door malabsorptie worden vitamines A, D, E en K slecht opgenomen, waardoor suppletie nodig is. Tekorten kunnen leiden tot problemen zoals verminderde botgezondheid, groei en weerstand.

Waarom is monitoring van micronutriënten essentieel in de behandeling van CF?(p. 20–21)

Door verhoogde behoefte en verminderde absorptie kunnen tekorten ontstaan, waardoor regelmatige controle nodig is om tijdig bij te sturen.

Wat is het doel van de diëtistische behandeling bij CF en waarom is maatwerk hierbij noodzakelijk?(p. 17–21)

Het doel is het optimaliseren van de voedingstoestand door voldoende energie- en nutriënteninname. Door variatie in ziekte-ernst en absorptie is een individuele aanpak noodzakelijk.

Hoe wordt een diëtistische diagnose bij CF opgesteld en waarom is een systematische aanpak daarbij noodzakelijk?(p. 22–24)

De diagnose wordt opgesteld door voedingsinname, energiebehoefte, verliezen en klinische gegevens te analyseren om voedingsproblemen en oorzaken vast te stellen. Door de multifactoriele aard van CF is een systematische aanpak nodig om alle factoren mee te nemen.

Hoe wordt de balans tussen energie-inname, energiebehoefte en verliezen beoordeeld binnen de diëtistische diagnose bij CF?(p. 22–23)

Door de energie-inname te vergelijken met de verhoogde behoefte en verliezen (zoals malabsorptie) kan worden vastgesteld of er een disbalans is die leidt tot voedingsproblemen.

Hoe dragen malabsorptie en het gebruik van pancreasenzymen (PERT) bij aan het ontstaan of verergeren van voedingsproblemen bij CF?(p. 23)

Malabsorptie veroorzaakt verlies van energie en nutriënten. Onjuist gebruik van PERT kan de vertering onvoldoende ondersteunen, waardoor deze problemen verergeren.

Hoe beïnvloeden symptomen zoals eetlust en gastro-intestinale klachten de diëtistische diagnose bij CF?(p. 23–24)

Deze symptomen beïnvloeden de voedselinname en absorptie en helpen bij het identificeren van oorzaken van voedingsproblemen.

Hoe hangen voedingsproblemen samen met de voedingstoestand en klinische uitkomsten bij CF?(p. 23–24)

Voedingsproblemen kunnen leiden tot een slechte voedingstoestand, wat geassocieerd is met een verminderde longfunctie en slechtere prognose.

Hoe wordt de energiebehoefte bij CF-patiënten bepaald en welke factoren verklaren de grote variatie hierin? (p.24-25)

Door rustmetabolisme (via indirecte calorimetrie of formules), activiteit, ziekte en groei. Variatie komt door verschillen in longfunctie, infecties, vetmalabsorptie en individuele situatie.

Wanneer is indirecte calorimetrie aangewezen bij CF-patiënten en waarom heeft deze methode de voorkeur boven formules? (p.24-25)

Bij onverklaarbare gewichts- of metabole veranderingen; het meet daadwerkelijk energieverbruik inclusief ziektefactoren, terwijl formules onnauwkeurig zijn.

Hoe leidt pancreasinsufficiëntie tot verstoringen in de voedingstoestand bij CF-patiënten? (p.25-26)

Door tekort aan enzymen ontstaat vetmalabsorptie, wat leidt tot energieverlies, steatorroe en tekorten aan vetoplosbare vitamines.

Waarom wordt bij volwassenen met CF de eiwitbehoefte berekend op basis van vetvrije massa in plaats van lichaamsgewicht? (p.25)

Omdat spiermassa vaak verminderd is en vetvrije massa een betere maat is voor metabole behoefte.

In welke situaties kan de eiwitbehoefte bij CF-patiënten sterk verhoogd zijn en hoe hoog kan deze oplopen? (p.25)

Bij infecties, ondervoeding of inhaalgroei; tot 4–5 g/kg/dag bij kinderen en tot 1,9 g/kg (VVM) bij volwassenen.

Welke rol spelen MCT-vetten in de dieetbehandeling van CF en wanneer worden ze toegepast? (p.25)

Bij ernstige vetmalabsorptie; ze worden makkelijker opgenomen zonder enzymen, maar zijn geen standaardbehandeling.

Hoe wordt de behoefte aan vetoplosbare vitamines bij CF-patiënten vastgesteld en gemonitord? (p.26)

Via regelmatige serumcontroles en aanpassing van suppletie; jaarlijkse controle en hercontrole na 3–6 maanden.

Waarom is suppletie van vitamine K standaard bij CF-patiënten, in tegenstelling tot andere vitamines? (p.26)

Omdat er geen betrouwbare test is voor deficiëntie en suppletie geen nadelen heeft.

Welke mechanismen zorgen voor een verhoogde natriumbehoefte bij CF-patiënten en hoe wordt dit praktisch toegepast? (p.26)

Verhoogd verlies via zweet en diarree; suppletie via voeding of capsules afhankelijk van omstandigheden zoals warmte en inspanning.

Hoe beïnvloeden CFTR-modulatoren de voedings- en natriumbehoefte van CF-patiënten? (p.26)

Ze verbeteren absorptie en verminderen mogelijk natriumverlies, waardoor voedingsbehoefte kan veranderen.

Welke rol spelen voedingsvezels in de behandeling van CF-patiënten en hoe beïnvloeden ze het microbioom? (p.27)

Ze ondersteunen darmgezondheid, verhogen microbiële diversiteit en hebben ontstekingsremmende effecten.

Hoe beïnvloeden exacerbaties zowel de energiebehoefte als de voedingsinname bij CF-patiënten en wat betekent dit voor dieetadvies? (p.24)

Energiebehoefte stijgt door ontsteking en ademarbeid, terwijl eetlust daalt; daarom is energie- en eiwitverrijkte voeding nodig.

De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo