Tussen geschiedenis en kunst. Nederlandse nationale kunstmusea in de negentiende eeuw

16 belangrijke vragen over Tussen geschiedenis en kunst. Nederlandse nationale kunstmusea in de negentiende eeuw

Ellinoor Bergvelt, auteur van hoofdstuk 13, stelt dat de huidige samenstelling en presentatie van de collecties van Rijksmuseum en Mauritshuis niet de oorspronkelijke verzamelambitie van de museumdirecties en hun superieuren weerspiegelen. Pas omstreeks 1870 signaleert zij een heroriëntatie op het verzamelbeleid van beide instellingen.
Welke verzamelambitie streefde men na tot circa 1870?

Tegenwoordig staat in het Mauritshuis en het Rijksmuseum de kunst van de Nederlandse Gouden Eeuw centraal. Deze tendens zette na 1870 in. Vóór die tijd werd de vorming van een internationale kunstcollectie nagestreefd, waarbij volgens Bergvelt de voorkeur uitging naar werk van classicistische signatuur en dat Rubens een groter kunstenaar werd geacht dan Rembrandt.

In subparagraaf ‘Presentatie’ (pp. 370-374) wordt de presentatie van de schilderijenverzameling van het rijk in het Trippenhuis in Amsterdam besproken. Directeur Cornelis Apostool schreef op 19 mei 1817 een brief aan de Commissaris-Generaal van Onderwijs, Kunsten & Wetenschappen, waarin hij een toelichting geeft op zijn opstelling van de verzameling en de door hem gehanteerde uitgangspunten.
Lees subparagraaf ‘Presentatie’ en onderstaande brief van Apostool.
Wat was het belangrijkste inrichtingscriterium van Cornelis Apostool en hoe werkt hij dat uit?

  1. Apostool wilde ‘die, voor de aandacht hinderlijke, en voor het oog afleidende, verscheidenheid’ vermijden. Met het oog hierop lette hij op formaat en schildertrant:
    –    Hij plaatste de grote schilderijen bij elkaar en de kleine werken, zogenaamde ‘kabinetstukken’, bij elkaar.
    –    Hij hing fijn geschilderd werk niet bij grof opgezet werk.

Waarom zijn de huidige Nederlandse kunstmusea anders dan de nationale musea in andere Europese hoofdsteden?

Door hun nadruk op de eigen kunst en, in het Rijksmuseum, de belangstelling voor de eigen historie.
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Sailabus

Hoe was de schilderijenverzameling na de herinrichting van de schilderijenverzameling in het Trippenhuis in 1825 geordend?


De werken waren thematisch geordend. In 1825 werden de schilderijen met onderwerpen uit de vaderlandse geschiedenis, portretten en historische gebeurtenissen, die in de grote zalen op de eerste en tweede verdieping (voorzijde) hingen, gerangschikt onder hun genre: de portretten bij de portretten en de taferelen uit de vaderlandse geschiedenis bij de historiestukken.
Zie subparagraaf ‘Presentatie’ (pp. 370-374); zie ook Cornelis Apostools, brief aan de Commissaris-Generaal van OK&W, 1817, voor de indeling vóór 1825.

Wat werd er in Londen, Parijs en Berlijn aan kunst geboden?

Een overzicht van de Europese kunst, vaak vanaf de oudheid tot op dat moment. Nederlandse schilderijen hadden daarbij een plaats bij de noordelijke school. De zuidelijke kunst uit de oudheid of Italiaanse en Franse schilderijen ui de zestiende en zeventiende eeuw werden lange tijd als het hoogst bereikbare gezien.

Wanneer kwam de eigen schilderkunst, in het bijzonder die van de Nederlandse Gouden Eeuw, in het centrum van de belangstelling te staan?

Aan het einde van de negentiende eeuw?

Wat gebeurde er vóór die tij?

In Nederland zien we dezelfde voorkeuren als in de rest van Europa: zo is meer dan de helft van de schilderijen die tussen 1816 en 1830 voor het Mauritshuis zijn verworven, van buitenlandse herkomst.

Waar werd toen meer geld aan besteed?

Aan buitenlandse kunst.

Ellinoor Bergvelt, auteur van hoofdstuk 13, stelt dat de huidige samenstelling en presentatie van de collecties van Rijksmuseum en Mauritshuis niet de oorspronkelijke verzamelambitie van de museumdirecties en hun superieuren weerspiegelen. Pas omstreeks 1870 signaleert zij een heroriëntatie op het verzamelbeleid van beide instellingen.
Om welke reden in het bijzonder slaagde men er slechts ten dele in die verzamelambitie te verwezenlijken?

Dat men er slechts ten dele in slaagde de oorspronkelijke verzamelambitie te verwezenlijken, komt vooral door geldgebrek. Hieruit laat zich deels ook het overwicht verklaren van de zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst in de collecties van Rijksmuseum en Mauritshuis. Dit soort kunst was goedkoop.

Wat is er gebeurd met de schilderijen die toen zijn gekocht?

Deze voornamelijk Spaanse en Italiaanse schilderijen worden tegenwoordig niet alle meer even waardevol gevonden, zodat in de huidige presentatie van het Mauritshuis de Nederlandse kunst overheerst.

In subparagraaf ‘Presentatie’ (pp. 370-374) wordt de presentatie van de schilderijenverzameling van het rijk in het Trippenhuis in Amsterdam besproken. Directeur Cornelis Apostool schreef op 19 mei 1817 een brief aan de Commissaris-Generaal van Onderwijs, Kunsten & Wetenschappen, waarin hij een toelichting geeft op zijn opstelling van de verzameling en de door hem gehanteerde uitgangspunten.
Wat was volgens Apostool het doel van de verzameling en haar opstelling?

Apostool noemt als hoofddoel de Nederlandse nationale schilderkunstige trots te laten zien en de ontwikkeling en beoefening van de kunst te bevorderen. Daarnaast wilde hij zowel de schilders als de kunstliefhebbers smaak en onderscheidingsvermogen bijbrengen.

Datzelfde gold voor de inrichting van het Rijksmuseum vóór de sluiting in 2004. Wat geeft geen goed inzicht in wat de museumdirecties en hun superieuren (de ministers en de koning) tot omstreeks 1870 voor ogen stond?

Het beeld dat in de twintigste en eenentwintigste eeuw in deze twee musea van de eigen collecties werd en wordt gegeven.

Wat gebeurde er met de kunstbeleid na 1814 toen Willem I, die zich in vele opzichten de opvolger voelde van Lodewijk Napoleon, werd ingehuldigd?

Alle instellingen van zijn voorganger werden gehandhaafd. Het Koninklijk Museum werd omgedoopt tot 's Rijks Museum. Ook de ambtenaren bleven.

Welke schilderijen hingen in het Mauritshuis?

De stadhouderlijke verzameling van Willem V en Willem IV.

Waarom was er in de loop van de negentiende eeuw sprake van een steeds toenemende kloof tussen oude en moderne kunst?

De opvattingen over kunst veranderden. Schilderijen die bij de toeschouwers burgerdeugden op moesten roepen, zoals dat in het begin van de negentiende eeuw het geval was geweest, waren ouderwets geworden.

Wie kregen in toenemende mate de zorg voor de lokale moderne kunst toegewezen?

De gemeenten. In de twintigste eeuw werd het verzamelen van moderne Nederlandse of buitenlandse kunst aan de stedelijk musea over gelaten.

De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo